Intimate Heartbeats II

TU Eindhoven \ 06-01-2012

Zou je mensen dichter bij elkaar kunnen brengen door hun hartslag te communiceren? Dat vormde de centrale vraag tijdens dit project, dat diende als voorbereiding op mijn afstuderen. Zoiets zou alleen kunnen werken als de communicatie van een hartslag signaal wordt ervaren als iets intiems. In eerder onderzoek is die aanname getest door personen naar een hartslaggeluid van een andere deelnemer te laten luisteren, om ze vervolgens naar die ander toe te laten lopen. In een andere experimentele conditie hoorde men geen geluid, of werd verteld dat het geluid wel leek op een hartslag, maar dat het willekeurig was en niets te maken had met wat er gebeurde. Het bleek dat mensen meer afstand hielden ten opzichte van de ander als ze inderdaad dachten dat het typische ‘DUM dum’ geluid afkomstig was van de andere persoon. In de andere gevallen was er geen verschil, dus het toekennen van de hartslag aan de ander maakte het verschil. De theorie is dat de toegenomen afstand compenseert voor de toegenomen intimiteit.

Zo zagen de deelnemers de andere participant in een virtuele omgeving gelijk aan het echte lab.

In mijn studie ben ik daarop verder gegaan door te kijken of dit effect alleen optreedt bij audiosignalen van een hartslag, of dat ook visuele en voelbare signalen hetzelfde effect geven. Daarom heb ik het eerdere onderzoek deels herhaald en uitgebreid met een visuele variant én een variant waarbij participanten een hartslag konden voelen. Dat laatste werd bereikt door trilmotortjes snel aan en uit te schakelen. Als je een strip met die kleine motortjes tegen je aan houdt voelt verrassend realistisch aan. Het onderzoek zelf werd uitgevoerd in een virtuele omgeving, waarin participanten dankzij een VR-helm en positiebepaling konden rondlopen. In die omgeving zag men dan de andere participant, welke altijd dezelfde (statische) persoon was om zo eventuele subtiele verschillen in gedrag teniet te doen. Voordat men in het lab kwam ontmoette men al wel die andere persoon, die iedere sessie opnieuw meedeed. Ik vertelde participanten vervolgens hetzelfde verhaal over de hartslag en liet ze vervolgens naar de andere, virtuele participant toelopen. De afstand die men behield was de belangrijkste maat voor dit onderzoek.

Links wat men zag en rechts hoe de participanten er zelf uitzagen tijdens het experiment, dus met een rugzak vol apparatuur.

Uit de resultaten bleek dat de resultaten goeddeels overeenkwamen met de eerder gevonden effecten, al was het effect wel iets minder sterk. De visuele vorm van hartslagcommunicatie leek niet goed te werken, al zijn daar ook andere verklaringen voor. Zo werd de hartslag weergeven d.m.v. een cirkel achter en niet direct op de de virtuele persoon, dus het zou kunnen dat participanten de link minder sterk legden tussen de twee zaken. De haptische methode met de trilmotortjes leek wel effect te sorteren en dat was dus nieuws. Maar voor je dit goed praktisch toe kan passen, moet er nog wel wat gebeuren. Dat er een effect ontstaat door communicatie van een hartslag is bekend, maar waarom is nog niet helemaal duidelijk. Misschien komt het wel door angst, en dat wil je natuurlijk niet bevorderen.

Voor iedere participant is de afstand geplot over de tijd, hetgeen resulteert in een spoor. De gekleurde plekken zijn de posities waar men stil bleef staan.

Voor wat betreft de praktische kant vergde met name de implementatie van het onderzoek in het toen splinternieuwe VR-lab behoorlijk wat tijd. Naast het schrijven van de code voor het experiment, moesten ook de trilmotoren daarmee samenwerken. Het programmeren van beiden is gedaan in Python, m.b.v. Vizard software en Phidgets voor de trilmotortjes (die gelukkig al direct te gebruiken waren). Veel werk is er ook gaan zitten in het digitaliseren en modelleren van de labruimte zelf, waarin participanten visueel rondliepen, en de gezichten van mijn twee student-assistenten. Zij deden steeds alsof zij de tweede participant waren. Eénmaal in het lab zag een participant dan een avatar met hun gezicht. Door het aanpassen van een standaardmodel van een 3D hoofd en het goed daarop plakken van een samengestelde foto van het hoofd van de studenten is het gelukt. Hoewel er in de aanloop wat kleine probleempjes waren met het lab heeft alle code, modellen en data zich goed gehouden. Tot slot hoefde ik enkel nog de data netjes te analyseren, te plotten, en een artikel schrijven over mijn bevindingen. Er zijn plannen om (delen van) dit onderzoek op termijn te publiceren.